Maartavond-verslag

Het is zaterdag 20 maart, bijna lente, een uur of negen ‘s avonds. Met een buik vol boeuf-bourgignon stommelen vijftig nog winterslaperige VJKers de trappen van de Badcuyp op.

Boven, achterin de zaal staat een kleine meneer. Hij heet Marijn en hij gaat vanavond met ons toneelspelen, vertelt hij. Vijftig winterslaperige VJKers veren op. Marijn schrikt er van, maar vertelt verder over de invulling van de avond. ‘

" We gaan een aantal spelvormen oefenen die jullie in de kampen kunnen gebruiken om kampers te leren improviseren. Onthoud goed, er zijn vier basisregels:

Ieder idee is een goed idee.
Zeg ja in plaats van ja maar.
Maak snel duidelijk wie je bent, waar je bent en wat je doet.
Niet een persoon is de held maar het team.
Maar voordat het zo ver is, gaan we eerst een paar opwarmoefeningen doen."

En nog voor ik het goed-en-wel besef, verander ik in de eerste tien minuten wel vijf keer van een ei in een vogel (één keer word ik zelfs geüpgraded naar mens) en weer terug naar ei. Mijn winterslaap is nu definitief voorbij. Ik ben wakker en die andere 49 leiders en leidsters ook. Mooi, denk ik. Kom maar op. Dit wordt leuk. En dat denkt ook Marijn. Driftig heen en weer lopend stelt hij ons op in rijen van zes. ‘Doe nu allemaal je ogen dicht. We gaan springen. Rij een springt een keer, rij twee twee keer enzovoorts. Luister goed wanneer je moet beginnen, want het is de bedoeling dat het netjes gelijk gaat. Luister ook goed naar mij, want ik verander soms de regels’. Weer tien minuten later gutst het zweet van mijn voorhoofd. Ik mag mijn ogen open doen en zie hoe de rijen vóór mij volledig uit de maat staan te springen, ‘éen, twee, drie, vier’ roept rij drie terwijl rij vier nog niet eens begonnen is. ‘Goed zo, stop maar. Jongens, dit was een concentratieoefening. Dat had je zeker wel begrepen. Nu gaan we met de verschillende spelvormen aan de slag. Wie biedt zich aan als vrijwilliger?’.

Daar sta ik. Op het podium. Leuk! Wel een beetje eng. Als ze maar niet zien hoe vies plakkerig ik ben van dat springen. Samen met mijn tegenspeelster moeten we een verschil in status duidelijk maken. ‘Noem eens een voorbeeld waarbij een persoon een hoge, en de ander een lage status heeft?’, vraagt Marijn aan de zaal. ‘Baas, werknemer’, wordt vanuit de zaal geroepen. Ik ben de baas. Ik ben Bakker Hertogh, met gh, leverancier van Wijle koningin-moeder Juliana. Vreselijk, vreselijk dat dit tragische feit nou juist VANDAAG heeft moeten plaatsvinden! Ja, en dan Chantal, mijn secretaresse, die geen brief aan der Prins wil schrijven. Der Prins, wiens dagelijkse ritme nu zo verstoord is. Der Prins, die zo zielsveel van zijn vrouw gehouden heeft! Vreselijk, vreselijk. Ze kan het wel schudden, Chantal. Secretaresse van het jaar wordt ze nu natuurlijk niet meer. Maar mijn gezag ten opzichte van Chantal ben ik kwijt. Ik, de Baas, heb gehuild! Ik was ten einde raad! Wat moet ik nou toch als ik op zondag mijn overheerlijke slagroomsoezen niet meer bij de Prinses kan afleveren?

Maar waar was ik gebleven? Ja, bij de prachtige taferelen die we voorbij hebben zien trekken. Een kleine greep: een emotioneel feestje waar de erfenis verdween zonder dat de hebberige erfgenaam het door had. Een televisieshow met een buitenlander die praatte in gebarentaal en de tolk die hem in een prachtig oud-Russisch toesprak. Een moderne dans op een tragisch gedicht. Drie praatgrage mensen op een bankje. Het Gregoriaanse lied van de nonnen (mooi!).

Vijftig VJK’ers zijn wakker. Wakker en vol goede spel-ideeën voor de kampen. Dit wordt het grote toneeljaar! Wat gaan hier mooie dingen uitkomen! Wat zullen de kinderen deze spellen leuk vinden! Het was hèt gesprek van de lange en drukbezochte borrel na afloop. Deze avond kan in the koffer. Goed op slot doen en met Pinksteren, tijdens het Voorjaarsweekend en in juli weer open maken!